Huldetentoonstelling Geert De Geyter
dinsdag, 14 augustus 2012

Mijnheer de burgemeester, mijnheer de volksvertegenwoordiger, collega’s uit het schepencollege, de gemeenteraad en de OCMW-raad, mevrouw het provincieraadslid, mijnheer de voorzitter en de ondervoorzitter van de GRC, mijnheer de voorzitter en leden van de Cel Beeldende Kunsten, beste kunstminnende mensen, dames en heren,

In een brochure vond ik het volgende:

Geert De Geyter, gepensioneerd leraar wetenschappelijk tekenen en plastische opvoeding en woonachtig te Denderbelle, is een abstract en modern kunstenaar. In zijn werken gebruikt hij kleine accentverschuivingen in een eigen herkenbare stijl, waarin geometrische figuren uit zijn beroep

als leraar wetenschappelijk tekenen geregeld om de hoek komen kijken. In zijn eigen stijl versmelt hij elementen van de abstracte stijl, van het symbolisme en het surrealisme, om vervolgens met kleuren te gaan experimenteren. Af en toe springt een kleur meedogenloos op de kijker af. Welgevormde rode lippen, foutloze ogen, insecten en vegetatie geven reliëf aan een ijle ruimte van kleurschakeringen en lijnen.

Alles wat de mens intrigeert, boeit en fascineert spreekt ook hem aan als kunstenaar: “Ik vind het belangrijk dat ik kan tonen dat ik ‘métier’ in huis heb”,  zegt de kunstenaar. Geert De Geyter huldigt immers nog steeds het principe dat de kunstenaar een vakman is, wat hem niet belet op een moderne manier te schilderen qua thematiek en iconografie. “Ik schilder op mijn manier en laat kritiek en modetrends aan mij voorbijgaan als lege treinen”  dat is zowat zijn adagio.

Graag voeg ik er ook nog aan toe:

Denderbellebroek: Impressionistische landelijke taferelen, herkauwende koe, in de groene beemden van Bellebroek. De kleurvolumes stormen op je af. Dit is een beeld met bomen, een waterpartij en alle kleuren gras tussen geel en gifgroen, maar ik ben dat vleugje bruin-rood vergeten of is het rood-bruin? Wie zal het zeggen? En de waterspiegeling heeft de kleur van de koe. En het is late lente of vroege zomer, want het groen is erg intens en geeft onrechtstreeks heel veel licht weer! En aan het stukje horizon, daar waar geen bomen staan, raakt de lucht de weide, worden beide in de einder één in hun scheiding! Het betreft een heel vroeg werk, dat de kunstenaar al talloze keren had kunnen verkopen, maar zo’n werk verkoop je niet, dat is de ziel van je jeugd, die hou je bij. Die herinnert je aan wie je was, in de Chiro, op het College en in het regentaat. Dat is als de genetica van de landrassen waarmee je de latere kunstrassen mee tot leven wekt.

Naar een onbekende omhelzing: Wie was het eerst? Het ei of de levensvorm van waaruit het voortkwam? De kunstenaar geeft ons een inkijk in het ei, terwijl men van binnen in het ei een uitkijk heeft op de wereld. Het is alsof de kunstenaar  de filosofische vraag van daarnet weerkaatst op het publiek. Geeft de kunstenaar ons inkijk in het ei, of geeft hij juist uitkijk op de wereld aan wie zich in het ei zich bevinden? Een microwereld of een macrowereld? Zoveel vragen!? Vormen wij een deel van de uitkijk en worden we begluurd?

De eerste lente: Een bloedende traan en een gele bloem in een ruit (trouwens een door de kunstenaar geprefereerde voorstellingsvorm!)

De bloem staat als het ware geschilderd tussen gelijnd muziekpapier, in welk gedicht van Hugo Claus staat ook alweer die versregel? En de bloem die met haar meeldraden die ogenschijnlijke notenbalk schijnt te raken. Klaarblijkelijk wekt dit een macabere vertedering op bij de vrouw, in deze vruchtbare constellatie menstrueert zij via het oog! En de lippen vormen zoveel stamper, dat de meeldraden der bloem op de notenbalk hun vruchtbaarheidslied laten trillen. Wie krijgt van zoveel voorjaarspathos geen veeg uit de pan van het kunstenaarslibido!?

Liefde: Het symbool van de lippen verwerkt in hogere wiskunde; het geruite papier wordt doorvlinderd en een touw verbindt het vlindergevoel met de vrouw via een wiskundige pijl! Waar is Amor? De god die de pijl van het verbinden en van de verbintenis afschoot? Wellicht nam hij ergens de wiskundige gedaante van een onooglijke punt aan. De pijl deelt de vlinder en dus ook het vlindergevoel in twee. Is het niet de beste van alle mogelijkheden om een vlindergevoel te delen om verbondenheid uit te drukken? Het thema van het oog en de vlinder met de bloedrode lippen komt meermaals aan bod in het werk van Geert de Geyter.

De laatste zuurstof: Een oog in visvorm, komt niet alle leven uit het water? En hoe is het oog ontstaan? Uit lichtgevoelige cellen, die door eeuwen evolutie tot een oog zijn geworden waarvan enkel de pulpil van het mensenoog en het vissenoog door de schilder  nog identiek wordt voorgesteld, al de rest is onderhevig aan de genetische wijziging van millennia. Maar het menselijke oog heeft op zich ook die visvorm en zit het niet vervat in de laatste luchtbellen van die vis of zijn het spreekballons als in een stripalbum? En zo ja, wat staat er dan geschreven? Staat er niet geschreven dat het slecht gaat met de aarde en met het milieu, Is het niet de vis van het begin, van de oorsprong die ons doet nadenken over het verdwijnen van de soorten? Is een evolutie niet onomkeerbaar voorbij wanneer van een soort nog slechts één exemplaar overblijft om dan uiteindelijk in eenzaamheid te sterven als “lonsome George”, de laatste schildpad van zijn soort op de Galapagos eilanden.

De eerste warmte: En deze irreële wereld, waar een bergmassief een deel van de zon aan het oog onttrekt. En waar tussen de stralen van de zon een spinnenweb hangt met de spin erin, overweldigd door een veel te grote vangst. De andere helft van het schilderij wordt ingenomen door een ernstig kwart van een gezicht, dat het sneeuwgletsjergrijs van het massief overdraagt op het gezicht en geheel in contrast staat met het geel en het roodgele van de zon. En waar de top van de berg het heelal schijnt te raken daar gebeuren kosmische zaken. Daar glijdt natuur op een onnavolgbare manier over in cultuur. Dat is de handtekening van Geert de Geyter.

De laatste vis: De laatste vangst: Een waarschuwing: het net van de overbevissing hangt als achteloos omheen de laatste vis; is het ons toegestaan om roofbouw te plegen op de oceaan? Tienduizend jaar geleden daagde het bij onze voorouders dat we niet konden blijven leven van jacht alleen en zo ontstond de landbouw. Kunnen we mateloos blijven jagen in de oceanen en zeeën van deze wereld? Moeten we niet stilaan, nee, niet stilaan maar spoorslags gaan voor andere oplossingen. En de ogen die als pars pro toto voor de gehele mens staan en angst doordrongen tot deze conclusie komen. Immers wanneer het ecosysteem van de zee blijvend is verstoord, dan heeft dat repercussie op de algehele kringloop van het aardse leven!

De eerste lente:  het prille groen met de zomer toch al in ’t verschiet door het zich aankondigende geel van een bloeiende bloem en een oog dat zacht afwacht en toch vol vragend verlangen de dingen naar zich toe laat glijden met iets van weemoed voor het voorbije en boordevol hunkering naar wat komen gaat. Hier geen kevers die bedreigen, maar de horizontale vrouwelijke lijnen die de verticale mannelijke lijnen lijken op te slorpen in de harmonie van een wordend koppel.

Het laatste woord: Een o-zo-mooi-gezicht, van waaruit de aders als laatste woorden lijken weggevlucht naar de zijkant van het ruiten paneel. De rode aders die de groene woorden wegduwen naar de uitwaarden die aanvankelijk bevolkt leken met natuurlijke taferelen van grassen en klavers drie en vier. Zit er in de komende stilte toch nog enig geluk verscholen, of zijn de spinnenwebben er om de laatste vluchtige woorden af te vangen en staat de rode kever met gifgroen middenstuk als scheidsrechter tussen de visuele wereld en de wereld van het woord en vormen de intens rode lippen juist geen contrast met die omgeving of zijn zij eerder medeplichtig aan het keverdenken? Of betreft het hier toch een ander rood?!

Dat en de andere werken hier aanwezig dames en heren heeft mij een beetje beziggehouden en ik heb getracht even een voorzet te geven bij het aanschouwen van deze heel geslaagde tentoonstelling. Proficiat Geert De Geyter en echtgenote Marie-Jeanne Van Hove. Dank aan de cel Beeldende Kunsten aan Willy Van Ransbeeck, de voorzitter, aan Frans Lefever en Raymond Heremans en aan secretaris Ann Cami. Ook dank aan de cultuurdienst, aan Wendy Van den Abeele, Elien De Roo en Nathalie Van Belle voor de ontvangst en de bediening.

De andere schilderijen hebben in mijn geest, net als kevers in wording, nog een incubatieperode nodig.

 

Dirk De Cock, Schepen van Cultuur.

Lebbeke, 10 augustus 2012.