Justus de Harduyn
maandag, 14 februari 2011

Het vijfentwintigste sonnet uit de bundel: "Weerliicke Liefden tot Roose-mond" is prachtig. Met deze valentijnsdag is het passend om dit op de valreep nog te posten. Het "blind kindt" in de pointe is cupido.

Justus de Harduyn, de zoon van de raadspensionaris van Vlaanderen,  heeft dit gedicht quasi volkomen overgenomen in zijn latere bundel: "Goddelicke Lof-Sanghen", hij heeft enkel "blind kindt" in vers 14 vervangen door "blinde lust" en er op die manier een religieus gedicht van gemaakt. Bij het verschijnen van zijn tweede bundel was hij al priester (van 1606 tot 1636 was hij pastoor van Oudegem/Mespelare). Hij noemde, toen hij al priester was, zijn eerste bundel: "Weerliicke Liefden tot Roose-Mond": "wind-vol en siel-quetsende venus-gejancqsel".

 

XXV.

 
Blind man, die onbeschaemt met u ruysschende liere 1
 
Gaet bedelen u broot nu hier ende nu daer,
 
Ghy en leeft niet alleen in teghenspoede swaer;
 
K'ben oock mijn ooghen quijt die ick achte soo diere 4.
 
 
5
Even ghelijck als ghy, o lierman goedertiere 5,
 
Is ghequetst, is ghewondt mijns sichts ghestraelte 6 claer:
 
Maer u mis-rief dat wort gheclaeght 7 int openbaer,
 
En t'mijne, waer ick comm', en acht men niet een ziere 8.
 
 
 
Ghy treurt in aermoe swaer, en ick in droeve smert;
10
U lijf tochte 10 ghy souckt, en ick troost voor mijn hert:
 
Maer niemant, als van u 11, en heeft met my melijden.
 
 
 
En noch is tusschen ons een ander onderscheydt:
 
Ghy wort van eenen hondt ghetrauwelijck gheleydt,
 
En ick van een blind kindt, dat m'alom leydt besijden 14.