Huldetentoonstelling Juul Keppens
dinsdag, 6 april 2010

Toespraak ter gelegenheid van de opening van de retrospectieve huldetentoonstelling van Kunstschilder Juul Keppens.

Dirk De Cock, schepen van Cultuur.

Geachte heer burgemeester, collega’s uit het schepencollege, de gemeenteraad en de O.C.M.W.-raad, mijnheer de voorzitter en de ondervoorzitter en leden van de GRC, Mijnheer de voorzitter van de Cel beeldende Kunsten, geachte familie Keppens, beste medewerkers van de dienst cultuur, dames en heren,

 

Gisteren hoorde ik hier op de achtergrond een gedachte aanwezig zijn. Het was de gedachte aan de honderdste geboortedag van Juul Keppens, echtgenoot, vader, onderwijzer, kunstenaar, levensgenieter, sociaal bewogen man en ereburger van onze gemeente. Vandaag gedenken wij hem in een huldetentoonstelling, een retrospectieve zoals dat heet. Dames en heren, Juul Keppens was van alle markten thuis en toen hij dertig jaar geleden van deze gemeente het eerste ereburgerschap kreeg aangeboden was de gemeente zelfs al een beetje laat met haar laudatio, want toen oogstte Juul Keppens reeds geruime tijd daarvoor erkenning voor zijn kunstenaarschap op tal van andere echelons, ik noem er maar enkele: de stad Dendermonde, de prille tv, de radio, de stad Brussel, de gemeente Bornem en de Belgische staat. Nadat hij het ereburgerschap en de daarbij horende gouden medaille van de gemeente Lebbeke ontving, kreeg hij nog blijken van erkenning door de provincie Oost-Vlaanderen, de culturele verenigingen “Open kring” uit Gent en “Hof te Puttens” uit Lede en last but not least door de Senaat!

Dames en heren op Goede Vrijdag beginnen we misschien het best met het stilleven van brood en vis en eieren, wat generaties lang het dieet uitmaakte op zo’n sacrosancte dag, Maar ook de kerkinterieurs kunnen refereren aan een dag als vandaag, talloze malen heeft Juul Keppens die kerkinterieurs op doek gebracht, in zijn vroege periode als realistische weergave, die wij met een litteraire term zelfs een beetje “naturalistisch” zouden noemen, alhoewel dat geen stroming is in de schilderkunst; ik wil maar zeggen: met de lichtinval bereikt de schilder dat we ons als toeschouwer in de kerkganger kunnen verplaatsen en tegelijkertijd de boodschap van het algoede opvangen, alsmede door de schaduwen toch ook een zekere vorm van wat met in het Duits noemt “Ungemeinlichkeit” ervaren. Een soort onbehagen waarbij “Das Ewige an sich” zich toont in het eeuwig goede, maar waarbij toch ook de onderstroom en de bedreiging van het eeuwig kwade daarmee quasi inherent verbonden is. In de latere periode laat hij beide gevoelens botsen in de kleuren, de dualiteit van het mens-zijn, van het geloven, van het ervaren komt tot uiting het botsen, het overlappen en het in elkaar opgaan van kleuren.

De schilder brengt de kleuren aan met het paletmes en de kleuren ondersteunen elkaar, zoals het ritme in de verzen van een gedicht, de regels en de gedachten dragen. Wanneer we zijn marines bekijken, en bijvoorbeeld daarin de haventaferelen, waarbij hij toch nog dikwijls zeilschepen weergeeft, en dan ineens op een ander doek de compactheid brengt van de moderne mastodontboten en het ene staat niet in contrast met het andere, het is complementair in de zin van ondergedompeld in een conglomeraat van kleuren en waarbij je vanuit het licht en tegenlicht, als toeschouwer gewoon weet, dit is valavond en dit is ochtend of nog: dit is het toppunt van de dag! Zo’n lichtvirtuoos is Juul Keppens, dat het als het ware natuurlijk op ons afstraalt.

Of nog: de oogsttaferelen, waarbij de oogstende buitenmensen eigenlijk maar deel uitmaken van het landschap, er als het ware in opgaan en enkel als kleurvlekjes schijnen aan te geven dat ze misschien atypisch zijn in het geheel, of toch juist niet, want tracht maar eens het aantal veldwerkers te tellen; het is schier onmogelijk. Maar ook de dorpstaferelen zijn atypisch, waar je zou verwachten dat het dorp zijn activiteit concentrisch rondom zijn bewoning bepaalt en laat uitdeinen, daar draait Juul Keppens dit automatisme gewoon om, hij laat de akkers akker zijn en geel van oogst en tast het stroo en het hooi zo op de wagen, dat het dorp als het waren midden in die gele zee wegzinkt, alsof het in en latere fase ook geoogst kan worden.

Ook de landelijke taferelen met kerk, kapel of het kerkje van Vlassen broek spreken tot de verbeelding, die gebouwen maken deel uit van hun omgeving. Je kan ze er zomaar niet uit  wegdenken, vermits ze door flarden van kleuren opgaan in de natuur ernaast, en de boom- of struikpartijen belendend aan kerk of kapel groeien in één kleuradem door tot in de structuur van de gebouwen. Het suggestieve, de kracht van het opwekken in de geest, speelt hierbij een niet te onderschatten rol!

Maar ook de vele schilderijen, waar water en strand, water en land samenkomen, elkaar ontmoeten, branding vormen, waar het vrouwelijke element van het water, het flexibele, het plooibare, het rekbare als het ware stoot op het land, op het vaste, het stugge, het mannelijke en waar die twee elkaar ontmoeten en in elkaar op- en overgaan, met name in de branding, daar laat hij dikwijls mensen lopen, onder wolken van hoop, als om te zeggen: zie, hier staan wij, hier gaan wij, vrucht van de evolutie en geboren uit het schuim der golven, van hieruit vormen wij het oerbegin en bevolken wij de aarde.

Maar ook de kermissen fascineren de schilder, omdat ze als contrast anders opgaan met met het coloriet en de kleur van hun statische omgeving; soms buigt het kerkgebouw zich als dominant over het tafereel en legt het de nadruk op de etymologie van het woord kermis, dat ontstond uit kerkmis, het jaarlijkse herdenken van het ritueel van de inauguratie van de kerk door verre voorouders, maar ook daar is er de ontsnappingsroute vanuit de lichte kleur van de woonwagens van de trekkende bevolking die het zich losrukken  verzinnebeelden van de dagelijkse sleur en de gewenning. Maar ook de voorstelling van winterlandschappen in combinatie met woonwagens duidt op een stilstaan van de tijd in het stilstaan van die wagens alsof de wereld wacht op andere kleuren om verder te kunnen gaan en bij de haard wacht het boerenvolk en houdt de wacht bij het vuur op een zodanige manier dat ze allen één worden met de haard  met als enig contrast, het Delfts blauw  van de borden boven de schouwbalk nog fungeert.

De optochten in de regen met de paraplus en met de omhooggetrokken vesten ter bescherming tegen striemende regen en wind en de kleurenpracht waarmee hij de onweders opnieuw laat losbarsten bij elke blik op het schilderij, het is alsof zoveel jaren na het ontstaan, dat onweer zich telkens opnieuw losrukt en zijn natte en bedreigende vracht  loost. De vier elementen, water lucht, aarde en vuur komen nergens zo goed aan bod als in die taferelen.

Dames en heren, ik sluit af  met een gedicht bij het schilderij, waarvan u de abeelding ziet in het midden van het overzicht van de retrospectieve, onderaan links. Het tafereel inspireerde mij tot volgend gedicht:

 

Machteloos

Machteloos bij dreigend onweer

staan zij in de oogst en weten:

dit moeten wij:

de aren droog bewaren

binnen de hoppers

en voelen toch:

dit lukt ons nooit,

hier is geen ontkomen aan,

maar harken en slaan en vergaren

als gek,

tegen tijd en donkere luchten

en vloeken binnensmonds

terwijl ze bidden:

- maak de luchten helder, -

maken ze hun hopen hoger

met de kracht  van wanhoop

en de gelatenheid

van hen die ondergaan.

 

Dirk De Cock,

Schepen van Cultuur,

Vrijdag, 2 april 2010