Vroege Apollo
donderdag, 11 februari 2010

Früher Apollo




Wie manches Mal durch das noch unbelaubte
Gezweig ein Morgen durchsieht, der schon ganz
im Frühling ist: so ist in seinem Haupte
nichts was verhindern könnte, daß der Glanz

aller Gedichte uns fast tödlich träfe;
denn noch kein Schatten ist in seinem Schaun,
zu kühl für Lorbeer sind noch seine Schläfe
und später erst wird aus den Augenbraun

hochstämmig sich der Rosengarten heben,
aus welchem Blätter, einzeln, ausgelöst
hintreiben werden auf des Mundes Beben,

der jetzt noch still ist, niegebraucht und blinkend
und nur mit seinem Lächeln etwas trinkend
als würde ihm sein Singen eingeflößt.

Aus: Das Buch der Bilder

Vroege Apollo

 

 

Zoals doorheen takken nog zonder loof
dikwijls een ochtend kijkt, die reeds gans
als lente is: zo is in zijn hoofd
niets wat verhinderen zou dat de glans

van alle gedichten ons bijna dodelijk kon raken;
want zelfs geen schaduw is er in zijn schouwen,
te koel voor laurier zijn nog zijn slapen
en later pas doet uit de wenkbrauwen

hoogstammig zich de rozentuin kond,
van waaruit bladeren, afzonderlijk, losgeweekt
zullen wegdrijven op het beven van de mond,

die nu nog stil is, nooit gebruikt en blinkend
en slechts met zijn glimlach iets drinkend
als werd hem zijn zingen aangekweekt.

Uit: Das Buch der Bilder

Vertaling: Dirk De Cock