OVSG DKO in De Biekorf
zaterdag, 30 januari 2010

Het secretariaatspersoneel van het Deeltijds KunstOnderwijs vergaderde vrijdag 29 januari 2010 in "De Biekorf"

Als schepen van cultuur werd ik uitgenodigd om het slotwoord te spreken.

Geachte mijnheer Meert, directeur van Agodi, mevrouw de schepen, dames en heren medewerkers van het DKO van overal te lande,

 

Als schepen van cultuur met in mijn bevoegdheidspakket basisonderwijs, cultuur, bibliotheek, toerisme en land- en tuinbouw ben ik uitermate verheugd om tot u het woord te mogen richten. Ik zal kort zijn, dat heeft de organiserende instantie mij opgedragen. Ik ben gepokt en gemazeld als onderwijsmens, maar ik stond ook altijd al met een been in de politiek. De laatste tien jaar kon ik mij volledig aan de politiek wijden, maar het onderwijs liet mij niet  los. Twee legislaturen heb ik in het Vlaams parlement mijn beste beentje voorgezet in de onderwijscommissie, deels als secretaris en deels als ondervoorzitter van die commissie. Samen met collega’s heb ik er heel wat bakens verlegd.  Vergis u niet, die onderwijscommissie was en is  de minst politieke commissie binnen dat parlement, omdat al die politici in de eerste plaats onderwijsmensen zijn. De goede onderwijscommissarissen hadden omwille van bepaalde onderwijsdossiers soms meer conflicten binnen hun eigen partij, dan met de collega’s van andere partijen in de schoot van de commissie. Kortom, onderwijs drijft boven! Daarom wil  ik graag een boompje opzetten over het snijpunt tussen onderwijs, en dus opvoeding met cultuur en dus met kunst. Precies op dat snijpunt is het kunstonderwijs actief. Precies in dat snijpunt zitten de grote uitdagingen. Gaan we voor de kunst en dus voor het ontwikkelen van talent, of gaan we voor een zo breed als mogelijke vorming voor zoveel als mogelijk (jonge) mensen, zodanig dat de muzische vorming in onze samenleving globaal genomen een hoger echelon bereikt! Met andere  woorden vormen we de cursisten in de diepte of in de breedte?

Het doet heel raar aan, maar vanuit misschien onverwachte hoek kampt men met hetzelfde parallellisme, met name in de sport stelt zich een gelijkaardig probleem; de onderscheiden sportclubs hebben dikwijls de moeilijke keuze om zoveel leden als mogelijk te laten participeren (ook, en wellicht niet in het minst, omwille van de lidgelden), maar daartegenover staat de dwang van de competitie die wil dat de besten de plaats krijgen in de teams, wil men als team of als club kans maken om te winnen. De teams en de clubs met de beste prestaties trekken immers ook de meeste potentiële nieuwe leden aan.

Toch wil ik een lans breken om beide componenten, de breedte zowel als de diepte, met mekaar te verzoenen. Als onderwijsmens is het mijn hoogste overtuiging dat iedereen het recht heeft om opgeleid te worden tot op het niveau dat hij of zij aankan. Als cultuurmens weet ik dat sommigen uitmunten in één of meer of zelfs slechts in één bepaalde  discipline en dat zij op de tocht naar de eenzame hoogte van hun talent en/of creativiteit, professionele begeleiding meer dan broodnodig hebben.  

Daar, in de combinatie van beide aspiraties  ligt de uitgebalanceerde taak en opdracht van de lesgever in de kunstacademie. En dat is slechts mogelijk, omdat je in de kunstacademies die wonderbaarlijke mix van mensen hebt, een mix van leerkrachten, die volkomen anders is dan in andere onderwijsbranches. Daar ontmoet je een mix waarbij eenieder volgens een allerindividueelste legering de onderwijsmens in zich combineert met de kunstenaar, en elk van die legeringen is apart en met een andere samenstelling in het percentage van de interactie tussen de onderscheiden componenten, en al die allerindiviudeelste legeringen samen vormen een groepsdynamiek, die zo sterk en telkenmale uniek is en die de klankkleur bepaalt van de desbetreffende muziekacademie.

Waarom heb ik die mix zo graag, en waarom heb ik het kunstonderwijs zo graag, omdat het de onderwijsvorm is, die het verst afstaat van het Angelsaksische model, waarbij onderwijs en opleiding onlosmakelijk gelinkt worden aan tewerkstelling. Tewerkstelling is belangrijk, zeker in deze tijden van crisis, maar onderwijs moet ook kunnen bestaan omwille van het onderwijs zelf. “Der Unterricht an sich” is vanwege het  vormende en het zelfrealiserende karakter van zo’n opleiding in die mate belangrijk dat het gevoel van welzijn hier primeert op het gevoel van welvaart. Ik weet wel, het ene gaat niet zonder het andere, maar waar men binnen de Angelsaksische invloedssfeer het ‘levenslang leren’ promoot, promoot men niet meer nog  minder dan het zich vervolmaken binnen de skills  en de challenges, dus binnen de competenties en de uitdagingen, van de eigen werksfeer.

De meer Europese visie heeft het over het levensbreed leren, dat opleiding voor ogen heeft binnen de interessesfeer van elk individu, ongeacht of die interesse zich binnen de werksfeer bevindt. ‘Levensbreed leren’ sluit je als mens niet op binnen de soms te enge beleving van de werkomgeving, maar zorgt ervoor dat individuen zich ook kunnen toeleggen op interesses daarbuiten, waardoor ze als persoon op een meer evenwichtige wijze deel kunnen uitmaken van de complexe sociale en maatschappelijke interactie tussen alle omgevingsfactoren die de leefwereld van de moderne mens omvatten.

 

Ik dank u.

 

Dirk De Cock,

Schepen van cultuur