Decreet Leren en Werken
dinsdag, 8 juli 2008
Tussenkomst in de plenaire zitting 8 juli 2008

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's,

Dit ontwerp van decreet is innovatief. Deeltijds werken is verankerd in de leerplicht. Van jongeren wordt daardoor een voltijdse tijdsbesteding verwacht van minimum 28 uur per week, naar analogie met het minimumaantal lesuren, in het leerplichtonderwijs. Dat is de definitie van het voltijdse engagement.

Vroeger ging men nogal licht om met de uren praktijk die behoorden tot de resterende dagen. Jongeren van zestien tot achttien jaar kunnen niet zonder stage blijven gedurende hun praktijktijd. Voltijds engagement vergt een wijziging van de leerplicht. Het kan niet langer dat een aantal van de jonge deeltijds studerenden drie vijfde van hun leerplichttijd in ledigheid zouden doorbrengen. Hieraan remedieert dit ontwerp van decreet.

De component werkplekleren telt vanaf 1 september even dwingend als de component deeltijds leren.

Voor wat het werkplekleren betreft, wordt niet enkel de arbeidsdeelname in rekening gebracht. Ook de voorbereidende brugtrajecten, de brugtrajecten en de persoonlijke ontwikkelingstrajecten worden beoogd.

Voor de jongeren in het deeltijds beroepsonderwijs is het belangrijk dat als ze een voltijds engagement aangaan en het tot een goed einde brengen, ze hiervoor ook een volwaardig certificaat ontvangen. En het modulair stelsel maakt hier een individueel en meer competentiegerichte benadering mogelijk, die ook gebaseerd is op individuele leerwinst.

Er is ook nog de afstemming tussen het DBSO, leertijd en deeltijdse vorming. Die gebeurt dusdanig dat de meersporigheid behouden kan worden. Alle betrokkenen worden met elkaar in verband gebracht: CLB's, de VDAB, integrale jeugdhulpverlening. De controle bestaat uit tweemaandelijkse ontmoetingsmomenten van de trajectbegeleiders.

Het modulair werken is op maat van de jongeren geschreven. Verantwoordelijkheid staat heel hoog aangeschreven, samen met het aanleren van zelfdiscipline. Jongeren moeten alle inspanningen doen om hun kansen zo groot mogelijk te maken. De centra voor deeltijds onderwijs, de centra voor deeltijdse vorming en de SYNTRA-lesplaatsen moeten hun leerlingen kordaat opvolgen. Ze krijgen hiervoor ook ondersteuning. En bij hardnekkige spijbelproblemen bestaat de mogelijkheid tot sanctie.

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, het gaat hier om een innovatieve benadering van een probleem dat al geruime tijd aansleept. De moeilijkheden zijn complex. Het gaat met name om de moeilijkste groep jongeren om te begeleiden tot maatschappelijke participatie. Ik ben van oordeel dat dit ontwerp het probleem van leren en werken drastisch aanpakt.

Toch moeten we een kleine kanttekening maken in verband met de autonome centra voor deeltijdse vorming. De overgangsregeling is waarschijnlijk problematisch. Dat heeft echter te maken met de 90 percentregeling. Door de snelle wisselingen en het systeem van persoonlijke ontwikkelingstrajecten zullen enkele van die centra die drempel van 90 percent waarschijnlijk niet halen. Die drempel heeft te maken met de gelijke financiering met het voorgaande.

De technische complexiteit van de overgangsregeling is een tweede reden waarom monitoring echt wel nodig is. Mocht blijken dat er haperingen zijn, dan zouden eventuele wijzigingen na de evaluatie via monitoring toch ingeschreven moeten worden in Onderwijsdecreet XIX. Dat is in elk geval ook de mening van mijn fractievoorzitter, de heer Caron.

Mijnheer de minister, al bij al is dit echt een voorbeeld van een ontwerp dat een probleem dat al zo lang aansleept drastisch aanpakt. We steunen het ontwerp volmondig en volledig.