Tussenkomst beleidsbrief onderwijs
donderdag, 20 december 2007

Dirk in het parlementDe financiering van het Vlaams onderwijs wordt gebaseerd op gelijke kansen. De decreetgeving wordt in dat verband volledig geheroriënteerd. We zullen daar in de commissie nog wel een boompje kunnen over opzetten. Dat we over een uitstekend onderwijs beschikken, bewijzen de gegevens uit het onderzoek van de Pisa-studie in opdracht van de OESO (de organisatie van economische samenwerking en ontwikkeling). Onze 15-jarigen doen het heel goed voor wat de internationale vergelijking betreft.

Alleen is er bij de 15-jarigen een staartgroep, die niet mee is. De GOK-inspanningen die vanaf de eerste kleuterklas beginnen, zijn nog onvoldoende doorgedrongen bij de 15-jarigen. Hopelijk – en daar gaan we van uit – zullen de toekomstige toetsingen het verschil tussen kansrijke en kansarme kinderen betekenisvol verminderen. Tal van beleidsinitiatieven zijn daar voor door de minister op het getouw gezet, waarvan kleuterparticipatie voor onze fractie één van de belangrijkste. Ook ontstaan spontane initiatieven  zoals het “buddy-project” waar we het hier vorige week nog uitgebreid over hadden.  

De beleidskredieten voor onderwijs bedragen 38,7 % van de Vlaamse overheidsuitgaven. Eén van de eindconclusies van de rondetafelconferentie onderwijs tijdens de vorige legislatuur was dat de spanning tussen de verloning van een directeur en een leerkracht te klein was. Hiervoor wordt een oplossing in het vooruitzicht gesteld. Bij de bespreking van het decreet over de “lerarenopleiding” werd van verscheidene kanten de opmerking gemaakt, dat er, in de nieuwe constellatie, geld zou moeten voorzien worden voor de mentoren die stagiairs en de LIO-baners (de leraren in opleiding) begeleiden.Voor 2008 is hiervoor een krediet van €1,25 MIO voorzien en vanaf 2009 € 5 MIO.  

Men heeft het steevast over het onderwijslandschap, maar dat landschap bestaat uit vele akkers, weiden, bosgebiedjes, natuurstroken. Ik wil maar zeggen dat het landschap heel divers is. Dat landschap is ook voortdurend in beweging. Bijblijven vereist naschoolse vorming. De budgetten die de minister hiervoor uittrekt zijn wel besteed. Alleen moet er een zekere kwaliteitsbewaking mogelijk kunnen zijn, meestal gebeurt die nu door de koepels. Maar toch bevinden er zich nog spelers op de markt die niet de nodige kwaliteit bieden. Naschoolse vorming vergt een inspanning van de betrokken personeelsleden van het korps, van de directies. Er hangt ook een financieel plaatje aan vast. Naschoolse vorming mag bijgevolg nooit ondermaats zijn. Bij het aanbod moet men op de een of andere wijze het kaf van het koren kunnen scheiden.  

Ik zei het al, het onderwijslandschap is voortdurend in beweging, om toch niet over één nacht ijs te gaan werd het “experiment” als “experiment”  geofficialiseerd in “proeftuinprojecten”. De evaluatie van die proeftuinen is echt heel zinvol. De specialistische kennis erin opgedaan speelt mee in de totstandkoming van nieuwe decreten. 

Vorige donderdag, mijnheer de minister was hier een gedachtewisseling over armoede en school. Ik zou de bevindingen van die gedachtewisseling willen inbrengen bij de screening van de studiegebieden in het secundair onderwijs. Iedereen beseft dat dit een mega-oefening wordt. Ik ben de mening toegedaan dat de minister dat heel terecht zegt. Er gaan tevens stemmen op om minder te beschotten tussen ASO, TSO en BSO, juist om TSO en BSO beter op de kaart te zetten. Door professor Nicaise werd vorige donderdag aangebracht om in het middelbaar onderwijs minder vlug tot een definitieve keuze te moeten overgaan. Duitsland en Vlaanderen zitten met een hele vroege studiekeuze, de kloof tussen de kansarmen en de anderen is nergens groter. De professor schrijft dat onder meer daar aan toe. De minister-president heeft er in een toespraak voor 250 ‘captains of society’ zoals dat in zo mooi Nederlands heet, gezegd dat “lerend werken” en “werkend leren” de regel moet worden in alle vormen van middelbaar onderwijs. Dat lees ik in De Standaard van 18 december. Minister Vandenbroucke doet betekenisvolle inspanningen om het werkplekleren vooral bij de leerlingen van het D.B.S.O. (en dat zijn voor 95% jongens) volledig te optimaliseren. Niet enkel komt er meer structuur binnen het deeltijds onderwijs, vooral belangrijk is dat “engagement” en “verantwoordelijkheid” de kernbegrippen zijn, waar het om gaat. De kleuterparticipatie is van het hoogste belang om tot gelijke onderwijskansen te komen. De inschrijvingsplicht is een hele goede maatregel en we zijn op weg om alle niet geregistreerde kleuters te determineren, maar wat in Vlaanderen met Kind en Gezin mogelijk is, is het niet in Brussel, daar zal een oplossing gezocht moeten worden met de Franse gemeenschap. Misschien kan de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie hier uitsluitsel bieden. De noodzaak om talen te leren is heel belangrijk. De allerbeste resultaten bereikt men vanuit de moedertaal of de onderwijstaal. Het is van het grootste belang dat de leerlingen maar zeker ook de leerkrachten in het Vlaamse onderwijs onberispelijk Nederlands spreken. Ik ben er een absolute voorstander van om het Frans als eerste vreemde taal te blijven aanbieden. De Europese regel van 1 + 2, mag en wat mij betreft moet voor sommige richtingen 1 + 3 zijn. De moedertaal met 3 vreemde moderne talen voor de sterke richtingen en ook voor de economische richtingen. Het Duits is belangrijk als vreemde taal, de minister heeft dat al een aantal keren gezegd. Duitsland is immers onze grootste handelspartner.  

Men zou voor wat Brussel betreft kunnen zeggen, dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel een laboratoriumfunctie heeft. Dat er anderstalige instroom is, staat buiten kijf, maar anders dan hierin een bedreiging te zien, vormt deze input veeleer een uitdaging en een opportuniteit om de officiële tweetaligheid van Brussel te behouden. Twee eeuwen geleden waren er in Brussel 5% Franstaligen. Het Franstalig onderwijs heeft intensief geholpen met de verfransing van Brussel. Het Nederlandstalig onderwijs kan ervoor zorgen dat Brussel een tweetalige stad blijft. De leerlingen hebben er ook individueel baat bij om Nederlands te leren, de arbeidskansen stijgen hierdoor aanzienlijk. Het komt erop aan om voldoende omkadering te voorzien voor wat betreft: personeel en accommodatie.  

 Mevrouw de voorzitter, we kunnen in het kader van dit korte tijdsbestek niet alle discussies voeren. Maar collega’s, u heeft begrepen dat ik de zorg van de minister deel, om groepen van kansarme leerlingen beter aansluiting te laten vinden bij de maatschappij via het onderwijs. Daarom durf ik ook aandacht vragen voor de problematiek van de “hoogbegaafden”. Misschien is er een ingang te vinden via de probleemverkenning die de Vlor op zich neemt om de mogelijke invullingen van het begrip “Brede school” in kaart te brengen en te publiceren. Hoogbegaafden hebben immers meer uitdaging nodig, maar dat wil vooral niet zeggen: minder begeleiding, dat laatste is een misvatting die nog altijd opgeld maakt.

Dames en heren, op de bekende pentekening (1556) van Pieter Breugel de oudere, volgt een ezel op een schoolbank achteraan vanuit een raam de les in een klas. De schoolmeester is bezig met uitdelen van een lijfelijke straf bij een onwillige leerling. Het onderschrift luidt: “Al vaert den esele ter scholen om leeren, ist enen esele hy en sal gheen peert wederkeeren.” Het defaitisme van toen hebben we zeker achter ons gelaten.  Ik ben er van overtuigd, mijnheer de minister, dat die ezel eigenlijk hoogbegaafd is, maar dat het met de inzichten van toen, die uitgingen van blinde discipline, onmogelijk was, om de echte intelligentie van de ezel te bevragen. Ondertussen weten we dat de ezel in vele opzichten echt wel intelligenter is dan het paard. Ik wil gewoon maar besluiten, mijnheer de minister, en ik weet dat u dezelfde mening is toegedaan, dat elk kind op dat niveau gebracht moet worden, dat voor haar of zijn capaciteiten, het meest haalbare is.   

 

Dirk De Cock, spirit      

19 december 2007